Werkgroep Gezondheid en Armoede

Discussie, docenthandleiding

Duur: ruim een uur

 

 

Voorbereiding:

-eventueel het college ‘Armoede en Gezondheid”

-literatuur (zie literatuur college en zoektermen Pubmed)

 

 

Leerdoelen: medische studenten

·         kunnen aantonen waarom mensen in het Zuiden meer met gezondheidsproblemen en ziekten te kampen hebben dan mensen in het Noorden;

·         zien in dat niet alle staten het recht op gezondheid kunnen realiseren en de noodzaak inzien van internationale solidariteit om dit recht te verwezenlijken;

·         kunnen uitleggen wat de verplichtingen zijn van een staat om het recht op gezondheid zoveel mogelijk te verwezenlijken.

 

 

Werkwijze

 

Splits de groep op in groepjes van zes studenten. De groepjes krijgen vervolgens 30 minuten de tijd te discussiëren over de hieronder gegeven punten. Ze bereiden een korte presentatie van ongeveer vijf minuten voor. Daarna is er eveneens 30 minuten de tijd voor de presentaties en aansluitende discussie. De docent kan aan de hand van genoemde antwoorden de studenten helpen om na te denken en te discussiëren over armoede en gezondheid.

 

Discussiepunten

 

1.         In het college werd ingegaan op de relatie tussen armoede en gezondheid. Bespreek kort welke relatie jullie zien tussen armoede en gezondheid.

Waarom kampen mensen in het ontwikkelingslanden vaak met meer gezondheidsproblemen en ziekten dan in het Noorden?

 

2.         Welke obstakels kunnen er zijn voor overheden van ontwikkelingslanden om het recht op gezondheid te realiseren? Denk hierbij aan bijvoorbeeld internationaal beleid en internationale afspraken op het terrein van gezondheidsbeleid.

 

3.         Wat zijn de verplichtingen van een staat om het recht op gezondheid zoveel mogelijk te verwezenlijken?

 

 

Mogelijke antwoorden

 

1.         Zie collegetekst.

 

2.         Door armoede en globalisering is er een situatie ontstaan waarin allerlei internationale krachten een rol spelen. Vooral overheden van arme ontwikkelingslanden hebben steeds minder invloed op de organisatie van toegang tot zorg. Door hun zwakke financiële positie zijn ontwikkelingslanden erg afhankelijk van geldschieters. Ze kampen met een chronisch geldtekort. Om toch te kunnen investeren lenen ze grote bedragen. Veel landen die leningen verstrekken willen in ruil daarvoor zeggenschap over de besteding van het geld. Daarbij staan de behoeften van ontwikkelingslanden niet altijd voorop. Ook het IMF (Internationaal Monetair Fonds) en de Wereldbank verstrekken zelden een lening zonder voorwaarden. Het is gebruikelijk dat ze eisen stellen aan de overheidsplannen die met de lening gefinancierd worden. Beide organisaties staan erom bekend dat ze de privatisering van delen van de gezondheidszorg stimuleren. Voor overheden met een groot gebrek aan geld is het erg verleidelijk dergelijke aanbevelingen over te nemen, ongeacht de mogelijke nadelige gevolgen voor de toegankelijkheid van zorg.

 

3.         In veel ontwikkelingslanden is zorg zo slecht toegankelijk dat de gezondheid van de mensen in gevaar komt. Niet alleen op het platteland, waar zorgvoorzieningen vaak totaal ontbreken. Ook in stedelijke gebieden, waar een scherpe tweedeling is ontstaan. Mensen met genoeg geld kunnen steeds vaker terecht bij goed functionerende privé-klinieken. Wie een klein of geen inkomen heeft, is aangewezen op openbare zorginstellingen, die vaak slecht zijn toegerust. Vrouwen en kinderen hebben vaak een nog slechtere positie dan mannen vanwege gebrek aan sociale status of eigen financiële middelen. Kinderen zijn extra kwetsbaar. Bovendien zijn de eerste levensjaren bepalend voor hun overlevingskansen.