België versus Nederland
De besluitvorming
in de Irak-oorlog
Hugo D'Aes
Hoe
kwamen de verschillende posities tot stand die de Belgische en Nederlandse
regeringen innamen tegenover de dreigende oorlog in Irak? Dat was het onderwerp
van een boeiend congres dat op 26 november plaats had in Brussel. Artsen voor
Vrede en NVMP hadden Magda Aelvoet en Karel Koster uitgenodigd om een stukje
recente geschiedenis toe te lichten.
Ook dit
jaar was het Vlaams Parlement de locatie van het Wintersymposium, dat NVMP en
Artsen voor Vrede nu al voor de vierde keer samen organiseerden. Het winterweer
was een flinke spelbreker, die de helft van de ingeschreven deelnemers thuis
hield.
In zijn
welkomstwoord vroeg gastheer Eloi Glorieux, Vlaams parlementslid, aandacht voor
de wapenhandel. Door de federalisering is Vlaanderen nu bevoegd voor de
exportvergunningen. Ondanks het feit dat bij ons geen traditionele wapens of
munitie worden gemaakt, moeten de onderdelen van hoogtechnologische
wapensystemen die Vlaanderen exporteert (terecht) door de filter van de Commissie
Wapenhandel. Dat daarbij economische factoren primeren boven morele en ethische
overwegingen is iets dat de vredesbeweging moet blijven verontrusten. Eloi
Glorieux riep de leden van Artsen voor Vrede en NVMP op om te blijven proberen
invloed uit te oefenen, al is het op beperkte schaal: stuur lezersbrieven en
opiniestukken naar kranten, lobby mee door parlementairen e-mails te sturen.
Artsen hebben ook bij onze vertegenwoordigers een aanzienlijk moreel gezag.
Magda
Aelvoet was als Minister van Volksgezondheid in de toenmalige regeringsploeg
mee verantwoordelijk voor de politiek ten aanzien van Irak. Zij was als eerste
aan de beurt om ons een blik te gunnen achter de schermen van de besluitvorming
in de Belgische regering.
De
nadagen van ‘9/11’
Meteen
na de aanslagen in New York en Washington op 11 september 2001 werd niet alleen
Afghanistan met de vinger gewezen. Ook Libië en Irak werden in één adem genoemd
als mogelijke broeinesten van terrorisme die door de VS zouden worden
aangepakt. Dit was niet officieel, maar werd door diplomatieke bronnen wel aan
de Belgische regering gesignaleerd. Ongetwijfeld werden in die periode reeds de
eerste voorbereidingen voor de Iraakse oorlog getroffen.
Inderdaad,
voor een goed begrip van de gebeurtenissen is het noodzakelijk om de draad al
heel vroeg op te pakken. Reeds op 12 september 2001 werd beslist om het artikel
V van het NAVO-verdrag te activeren, wat wil zeggen dat de aanslagen gezien
werden als een gevaar voor de hele alliantie. Dit betekende nog geen groen licht
voor een oorlog. Pas op 2 oktober presenteerden de VS een dossier waaruit bleek
dat de aanval van buitenuit kwam. Dit gaf de mogelijkheid aan de NAVO om zich
hiertegen te verdedigen met militaire actie. De volgende dag, op 3 oktober,
vroegen en kregen de VS militaire bijstand van de NAVO.
Het
moet aangestipt worden dat op dat moment de Belgische regering de NAVO-raad
eraan herinnerd heeft dat voor elke verdere stap de instemming van alle
NAVO-partners vereist is. In die periode heeft de Belgische regering ook steeds
aandacht gevraagd voor de context waarin de aanslagen hebben plaats gehad:
vooreerst het onopgeloste Israelisch-Palestijns conflict dat de Arabische
wereld al decennialang in zijn greep houdt. Daarnaast is de armoede en het
onrecht dat aan grote bevolkingsgroepen ten deel valt een voedingsbodem voor
extremistische groeperingen. België heeft als voorzitter van de Europese Unie
in die periode mee de agenda kunnen bepalen. EU-afgevaardigden hebben toen in
het Middenoosten bezoeken afgelegd om het signaal te geven dat er wel degelijk
aan deze problematiek aandacht moest worden besteed. In diverse organen van de
Verenigde Naties vertegenwoordigde België de EU en kon dan ook zwaarder wegen
op de besluitvorming.
Eerst
Afghanistan, dan Irak
De VN
resolutie 1373 maakte militaire actie tegen ‘een aanvaller’ verder mogelijk en
bevestigde het recht op individuele en collectieve zelfverdediging. Zoals
bekend volgden spoedig daarna de eerste militaire acties tegen Afghanistan. In
de aanpak door Europa van dit conflict is er een opvallend verschil met de
oorlog tegen Irak. Vanaf het begin heeft de EU, ditmaal onder Duitse impuls,
werk gemaakt van steun voor de heropbouw van Afghanistan en de installatie van
een interimregering. De Bonn-conferentie bracht alle strekkingen uit de
Afghaanse bevolking rond de tafel samen met de internationale gemeenschap. Ze
zorgde voor materiële, logistieke en financiële steun en besliste tot een
multinationale stabilisatiemacht waar ook niet-NAVO-landen deel van uit
maakten. Ook België levert (nog steeds) zijn bijdrage aan deze troepenmacht.
Het is
weinig geweten maar wel een feit dat de Belgische regering al in juni 2002,
lang voor de oorlog dus, de kwestie Irak op de agenda van de ministerraad
algemene Zaken van de EU heeft willen plaatsen. België wilde hiermee een eigen
Europees antwoord formuleren op het steeds dreigender gevaar van een Amerikaanse aanval. Er werd echter geen meerderheid gevonden om het punt op de
agenda te plaatsen. Het was dan ook in verspreide slagorde dat de EU-leden
hebben gereageerd op de Amerikaanse aantijgingen ten aanzien van het Iraakse
regime.
Op 6
september 2002 heeft de Belgische regering haar politieke lijnen uitgezet ten
aanzien van Irak, in duidelijke bewoordingen: geen oorlog in Irak en in elk
geval geen Belgische deelname aan militaire acties; de VN-inspecteurs moeten
hun werk kunnen doen; geen enkel land heeft het recht om Irak aan te vallen; en
nogmaals: er moet aandacht zijn voor de Israëlisch-Palestijnse kwestie. Dit
werd bevestigd in de beleidsverklaring van de federale regering van oktober,
waarin gesteld werd dat ons land niet gelooft in een militaire maar wel in een
diplomatieke oplossing van het probleem.
Europa:
pro en contra
Ten
aanzien van de dreigende oorlog was er eensgezindheid bij de West-Europese
bevolking, maar tweespalt bij de regeringen: tegenstanders waren het kamp van
Duitsland, Frankrijk, België, Zweden en Denemarken; bij de voorstanders het
Verenigd Koninkrijk, Italië, Spanje, Nederland. Heel opvallend: alle Europese
landen die aan de poort stonden van lidmaatschap van de Europese Unie,
waaronder Polen, de Baltische staten, Roemenië, Bulgarije, Hongarije,
enzovoort, stonden pal achter de Amerikanen. Dat had alles te maken met het
beeld van vrijheid waarvoor Amerika symbool staat bij de bevolking van het oude
Oostblok. Bovendien werden deze landen door de VS onmiddellijk beloond,
ondermeer met steun voor modernisering van hun militair apparaat.
In
België was er zeer weinig kritiek vanuit de oppositie; enkel CD&V - bij
monde van Eyskens en De Crem - liet een zwak protest horen maar bond snel in
toen bleek dat daarvoor zeer weinig publieke steun bestond. (Er was vanuit het
parlement wel aanzienlijke druk toen militair materieel vanuit Duitsland over
ons land moest worden verscheept naar het slagveld.) Ook de media steunden
bijna allemaal het beleid van de regering - met de verwachte uitzondering van
Mia Doornaert, die in De Standaard fel van leer trok tegen het
anti-Amerikanisme. Twee vredesbetogingen, einde 2002 en begin 2003, waren in
ons land een groot succes.
Ego’s
Welke
factoren waren nu beslissend in de positiebepaling van de Belgische regering?
In de
eerste plaats de samenstelling van het paars-groene kabinet, waarin vooral dan
de afwezigheid van de christen-democraten een essentiële factor was. Men ziet
inderdaad dat regeringen met christen-democratische signatuur overwegend
pro-atlantisch gezind waren. Uiteraard was de aanwezigheid van groenen en
socialisten, maar ook van de relatief kritische Waalse liberale partij MR, van
groot belang. We mogen ook niet vergeten dat de ego’s van bepaalde ministers
een rol kunnen spelen: zowel premier Verhofstadt als minister van Buitenlandse
Zaken Michel waren in de VS en in Groot-Brittanië in het verleden onheus
behandeld, een krenking die ze blijkbaar op dat moment niet vergeten waren. Een
ander element was uiteraard de houding van de publieke opinie, die radicaal
tegen was, waarmee in de pre-electorale periode duchtig rekening werd gehouden.
Een
laatste niet te onderschatten factor is natuurlijk de aanwezigheid van de twee
sterke EU bondgenoten Frankrijk en Duitsland in hetzelfde kamp. Zonder hun
steun had België onmogelijk zijn positie kunnen handhaven.
De druk
van de Verenigde Staten op de leden van de anti-oorlog-coalitie was heel de
tijd bijzonder sterk. Het moet gezegd worden dat het vooral de Franse en Duitse
bedrijven zijn geweest die achteraf het zwaarst zijn gestraft voor het verzet
van hun regering. Inderdaad zijn de bedrijfsleiders in de VS bijzonder
patriottistisch geweest en hebben heel wat belangrijke handelsovereenkomsten
opgezegd. In ons land waren dan ook het Vlaams Economisch Verbond (VEV) en het
Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) erg actief, om te wijzen op de
gevaren van de Belgische positie voor onze economie. Het zijn trouwens
economische overwegingen (belang van de Antwerpse haven) die de soepele houding
van de overheid tegenover de wapentransporten bepaald hebben.
Politiek
hebben Verhofstadt en Michel wel een prijs betaald voor hun stellingname. Michel
kwam na de verkiezingen zwaar onder vuur te liggen in de media toen hij opnieuw
kandidaat was voor Buitenlandse Zaken; de genocidewet die een kind was van
Michel en Verhofstadt is onder druk van de VS (én van Israël) sterk afgezwakt,
wat niet anders kan geïnterpreteerd worden dan als een publieke blamage.
De
Nederlandse politieke lobbyist Karel Koster hield als tweede spreker zijn
betoog. Hij ging onmiddellijk een stapje verder dan Magda Aelvoet door te
stellen dat, althans volgens sommige bronnen, de Amerikaanse regering al van
bij haar aantreden in januari 2001 plannen smeedde om het Iraakse regime omver
te werpen, nog vóór de aanslagen van 11 september dus! In elk geval waren tegen
einde 2001 al verregaande militaire voorbereidingen getroffen voor een invasie
van Irak, die volgens Britse bronnen in juli 2002 zo goed als vaststond.
Nederland
en Groot-Brittanië twee handen op één buik
De
politieke situatie in Nederland is niet zonder belang voor het
beslissingsproces. Het land verkeerde begin 2002 in een politieke crisis. Er
was een enorme afkeer van de politiek waar Pim Fortuyn wel bij vaarde. De moord
op Fortuyn in mei 2002, vlak voor de verkiezingen, werd gevolgd door een enorme
overwinning voor zijn partij, de LPF, die onder leiding van premier Balkenende
een regering vormde met het CDA en de VVD. Dit kabinet viel echter al heel
snel, in oktober 2002, uit elkaar. Het was dus demissionair in de periode dat
de formele stappen naar de oorlog werden genomen (deze situatie duurde tot mei
2003, toen de nieuwe regering Balkenende II aantrad).
Voor de
Britse regering moest een beslissing over Irak over de Verenigde Naties gaan,
met de bedoeling een zo breed mogelijk politiek front te scheppen. Dat lag
volledig binnen de lijn van de Nederlandse traditie, waarvan de overheid het
respect voor de internationale instellingen hoog in ’t vaandel draagt. In
september verscheen (in verschillende versies) het befaamde Britse dossier over
Iraakse massavernietigingswapens. In die periode was er een telefoongesprek tussen
Blair en Balkenende over de duidelijkheid van het rapport. Welke versie
Balkenende van Blair uiteindelijk gekregen heeft is tot op heden nog niet
bekend, ondanks herhaalde parlementaire vragen. De Nederlandse regering
accepteerde alleszins officieel het Britse rapport en steunde daar haar
beleidsbeslissingen op.
De
schending van resolutie 1441 (material breach) was de officiële rechtvaardiging
voor de oorlog en is dat nadien ook steeds gebleven. De ‘ernstige gevolgen voor
Irak’ waar de resolutie voor waarschuwt, impliceren volgens een intern rapport
van deskundigen van Buitenlandse Zaken echter niet het gebruik van geweld.
Op naar
de oorlog
De
onderhandelingen over een nieuwe regering, begin 2003, werden sterk beïnvloed
door de positie die de partijen innamen tegenover de mogelijke oorlog. Een
groot deel van de PVDA-achterban was immers vierkant tegen, wat een
regeringsovereenkomst met de CDA in de weg stond.
In
februari 2003 volgde dan de ‘show’ van Colin Powell in de Veiligheidsraad, die
door Balkenende “bewijsmateriaal” werd genoemd en voor minister de Hoop
Scheffer de “inlichtingen bevestigde waarover de regering beschikte”.
De
legaliteit van een oorlog werd binnen de Nederlandse regering wel
bediscussieerd. Een interne nota op Defensie stelde bijvoorbeeld dat er een
nieuwe, mandaterende resolutie van de VN-veiligheidsraad nodig was om een
oorlog te rechtvaardigen.
Het
bezit van massavernietigingswapens door Irak werd in de opeenvolgende
verklaringen meer en meer als een vaststaand feit geponeerd. De militaire
inlichtingendienst wrong zich wel in bochten om toch te zeggen wat ze niet had
gezegd en omgekeerd. Zo werd de “kennis en kunde” om massavernietigingswapens
te maken min of meer gelijkgesteld met het bezit van deze wapens zelf …
Op 19
maart 2003 begon dan de oorlog. Later werd verklaard dat de Nederlandse
regering “een nieuwe VN resolutie wenselijk had gevonden, maar noodzakelijk was
dat niet”.
Parlementair
onderzoek naar wat er precies bekend was in de aanloop naar de oorlog (wat was
de inhoud van het fameuze Britse rapport?) is steeds geblokkeerd, mede door de
oppositiepartij LPF en ondanks herhaald aandringen van de oppositie. Steeds is
ook geschermd met de term ‘militaire geheimhouding’.
De
transatlantische band
Naast
politieke steun heeft Nederland de VS ook militair geholpen. Zo is er een
Nederlandse duikboot ingezet voor afluisteropdrachten en hebben Nederlandse
commando’s in het begin van de oorlog in het noorden van Irak meegeholpen aan
militaire operaties. Tenslotte is er het host nations support, waardoor het
transport van Amerikaans militair materieel over Nederlands grondgebied en door
Nederlandse luchtruim mogelijk werd gemaakt (net zoals in onder meer België en
Duitsland).
Concluderend:
de Nederlandse regering heeft, mogelijk deels uit oprechte overtuiging,
meegewerkt aan de grote misleidingsoperatie die de oorlog moest voorbereiden.
Waarom gebeurde dit allemaal? Het antwoord ligt wellicht in de geopolitieke
situatie van Nederland: de Atlantische betrokkenheid weegt zwaar (ook in het
discours van de PVDA!). Je kan zelfs stellen dat een normaal ‘zittend’ kabinet
met de huidige samenstelling onvoorwaardelijk de Amerikaanse politiek zou zijn
gevolgd. Nu was de steun van de ontslagnemende regering niet volledig.
Minstens
de helft van de bevolking geloofde de regering echter niet! De oppositie was
een zeer breed front: niet enkel de vredesbeweging, maar ook bijvoorbeeld de
hele basis van de PVDA en zelfs (even) Greenpeace! Het geheel was een unicum
over de laatste jaren, sinds de grote anti-kernwapendemonstraties van de begin
jaren ‘80. Het feit dat de oppositie wel gefaald heeft, is een enorme
teleurstelling geweest en heeft verdere acties getemperd.
Wat is
de huidige situatie? Enkele zaken vallen op: de stemming in VS verandert, dus
nu ook die in Nederland. Nederland wil geen dode soldaten. Er wordt gezegd dat
de VS te ver zijn gegaan en dat er dus een rem moet gezet worden op toekomstige
missies (bijvoorbeeld de aanwezigheid van Nederlandse militairen in
Noord-Afghanistan). De rendition-zaak en het schandaal rond Guantanamo, feiten
die voorheen onbespreekbaar waren, worden nu ook door Nederlandse officiële
woordvoerders in de mond genomen.
Kortom: Nederland volgt ook nu weer de VS!